Essays over de foutieve en kwalijke aspecten van non-dualistisch gedachtegoed.


Ik las onlangs in het boek Total Freedom hetwelk een bundel lezingen van Jiddu Krishnamurti bevat. Wat ik las frustreerde me voornamelijk, hoewel ik in zijn gedachtegoed ook goeie dingen vond. Ik herken de frustratie en boosheid die ik voel bij Krishnamurti’s ideeën en bij zijn manier van spreken tegen zijn publiek. Deze had ik namelijk ook bij het lezen van enkele andere boeken, die, niet toevallig, ideeën van hetzelfde soort behandelen en hier-en-daar eenzelfde toon en houding t.o.v. de lezer hanteren. Ik constateer dat ik nu vier boeken heb gelezen die gecategoriseerd kunnen worden in de school van de zogenaamd non-dualiteit. In dit artikel zal ik dat kritisch belichten. Mijn reflectie heeft betrekking op de volgende schrijvers en hun boeken:

Jan FrazierWhen fear falls away
Eckhart TolleThe power of Now in practice
Alan WattsNature, man and woman
Jiddu KrishsnamurtiTotal Freedom

Deze schrijvers stellen dat ze een manier kennen om lijden te stoppen, voor degene die hun filosofie, denkwijze of levensinstelling navolgt. Ze slagen er echter niet in om (bij mij) de meest essentiële zaken van hun gedachtegoed duidelijk te maken. Ook na vele uren lezen en nadenken lijken hun voorstellingen over menselijk bewustzijn en lijden me onrealistisch en vaag. Toch verslaat het zijn duizenden.

Hierbij schromen ze – vooral Krishnamurti – niet om enigszins beledigend te spreken over hun publiek, door bijvoorbeeld zich uit te spreken over de incapabelheid of onoprechtheid die ze vermoeden bij hun luisteraars. Daarbij wordt dan gezegd dat deze botheid slechts compassievolle duidelijkheid is en dat ze geen zachte heelmeesters die stinkende wonden maken willen zijn. Tsja, dat zou vergeeflijk zijn als ze daadwerkelijk wonden zouden helen. Echter, mijns inziens máken ze die juist. Want ze stellen hun publiek teleur, en, nog erger: hun suggesties kunnen genezing van reeds aanwezige wonden hinderen, wat ik verderop zal toelichten.

Waarover gaat het dan? Ik zal het proberen uit te leggen.

1) Afgescheidenheid. Er wordt verondersteld dat mensen zichzelf plegen te zien als een wezen wiens bewustzijn afgezonderd is van hun omgeving. Men identificeert zich met de eigen denkgeest en het eigen lichaam.

2) Lijden als denkfout. Er wordt veronderstelt dat mensen lijden ervaren doordat ze nadenken over zichzelf en de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Men ervaart dat men behoeftes heeft, dat sommige van deze behoeftes onvervuld zijn, en dat ze zich bevinden in een omgeving die deze behoeftes niet vervult of niet zal vervullen. Zodoende ervaren ze (in Krishnamurti’s woorden) een conflict. Dus: hun denken veroorzaakt hun lijden.

3) Observator. Er wordt verondersteld dat ieder mens bij wijze van spreken een innerlijke observator heeft. Iedereen kan immers waarnemen en voelen. Er wordt verondersteld – en dat is het belangrijkste – dat deze observator los van de denkgeest en het lichaam kan werken. Er wordt verondersteld dat de observator, ofwel de ervarende, het vermogen heeft om te observeren, waar te nemen, te voelen en te ervaren zónder zich te identificeren met denkgeest en lichaam. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer je een mooie zonsondergang beleeft en daarvan geniet, waarbij je op dat moment niet nadenkt en geen menselijke beperkingen ervaart.

4) Lijden ontstijgen. Er wordt verondersteld dat de zo-even genoemde vorm van gewaarzijn vrij is van lijden; dat lijden optreedt, of kán optreden, wanneer iemand níet deze staat-van-zijn betracht; dat de sleutel tot het stoppen van lijden (dus: “verlichting”) is om deze vorm van gewaarzijn aan te nemen; dat zodoende ervaringen van angst en verlangen ontstegen kunnen worden. Er wordt gesteld dat deze vorm van gewaarzijn je extase kan laten ervaren.

Tot zover is het allemaal nog niet zo gek. We kennen allemaal wel de ervaring van onszelf verliezen in een activiteit of in een schouwspel, zoals het voorbeeld van de prachtige zonsondergang. Echter, de manier waarop genoemde schrijvers over bewustzijn en lijden spreken, openbaart een stel ideematige eigenaardigheden die frustratie veroorzaken wanneer je probeert om hun voorstelling van zaken te realiseren:

a) Permanente vakantie. Er wordt verondersteld dat de “jezelf verliezende staat-van-zijn” ofwel “leven in het hier en nu” een permanente staat-van-zijn kan zijn. Alsof je altijd vakantie hebt. Ik geloof echter dat dit onmogelijk gerealiseerd kan worden. Er zijn immers allerlei situaties die er voor zorgen dat je aandacht zult besteden aan je menselijke behoeftes en tekorten en aan je omstandigheden, waardoor je zult ervaren dat je beperkingen hebt en onmachtig bent. Bijvoorbeeld wanneer je een financieel plan maakt en concludeert dat je “de eindjes niet bij elkaar kunt brengen”. Ieder mens zal bij tijd en wijlen moeten nadenken over diens leven. Er zullen plannen gemaakt moeten worden. Er zal naar de toekomst gekeken moeten worden. Er zullen soms conflicten ontmoet worden. Het is simpelweg praktisch onmogelijk om immer “in het hier en nu te leven”.

b) Volledige beschikking over aandacht. Er wordt verondersteld dat je ten allen tijde kunt kiezen om de zo geprezen modus van gewaarzijn te ‘gebruiken’. Dit veronderstelt dat je volledige controle over je aandacht hebt. Dat lijkt mij evident onzin. De mens heeft immers allerlei ‘automatische mechanismen’ die, buiten de bewuste wil om, de aandacht sturen wanneer dat nodig is. Bijvoorbeeld wanneer je in een bedreigende of gewelddadige situatie verzeild raakt: dan zul je angst en alertheid ervaren. Of als je eenzaam bent. Wanneer je alert bent – hetgeen vanzelf gebeurt als je bedreigd wordt – dan zorgen jouw brein en de rest van je lichaam er voor dat jouw aandacht automatisch gericht wordt op allerlei potentieel bedreigende zaken in je omgeving.

Sinds er in de laatste halve eeuw diepgaand onderzoek is gedaan naar de werking van het fenomeen dat we post-traumatische spannings-stoornis ofwel PTSS noemen, is bekend dat een mens allerlei organen heeft, waaronder de amygdala in het hoofd en zenuwstelsels, welks functioneren zorgt voor de automatische reacties die ik noemde. Dat functioneren is niet te beheersen met wilskracht. (Hooguit is tijdelijke ontspanning mogelijk, mits degene de mogelijkheid heeft om zich terug te trekken in een veilige, prikkelarme, afgesloten omgeving). Dit blijkt uit de levenspraktijk van getraumatiseerde mensen. En door genoemd onderzoek kunnen we ook snappen waardóór dat onmogelijk is. We kunnen dus inzien dat getraumatiseerde mensen, dus zij die het meeste verlangen naar vrede en rust en die daardoor geneigd kunnen zijn om zich te wenden om raad tot eenieder die pretendeert te weten hoe men hun lijden kan verhelpen, vanwege hun innerlijke staat en de automatismen van hun menselijk wezen simpelweg niet in staat zijn om hun angst, verlangen en spanning ‘los te laten’ zoals hen verteld wordt te moeten doen. Ze worden hiermee eigenlijk beledigd en nóg meer gefrustréérd, in plaats van gehólpen.

c) Verleden en toekomst als illusie. Er wordt gesteld dat verleden en toekomst niet bestaan, niet relevant zijn, illusies zijn, of geen aandacht zouden moeten krijgen. Eckhart Tolle’s gedachtegoed stelt dat verleden en toekomst slechts in het heden overdacht en gevoeld kunnen worden, dus dat het heden primair is.

Dat lijkt me foutief. Het veronderstelt dat verleden en toekomst dingen zijn die door het brein verzonnen worden; dat het mentale concepten zijn, waaraan je net zo goed níet kunt denken. Dit is evident simplistisch en een halve waarheid. Weliswaar bestaat er in ons denken een mentaal verband tussen heden, verleden en toekomst; maar er is vooral ook een praktisch verband. Immers, als ik gisteren mijn schouders verbrand heb in de zonneschijn, dan heb ik vandaag pijn; of ik daar nu over nadenk of niet. Wanneer ik gisteren in een ruzie mijn vrouw uitschold of zelfs sloeg, dan heb ik vandaag spijt en lijd ik daaraan. Als een kind misbruikt wordt, heeft die gebeurtenis ernstige gevolgen voor het welzijn op latere leeftijd, wat veel zorg en therapie zal behoeven om te genezen. Zulk soort toestanden hebben geen plaats in het gedachtegoed van genoemde schrijvers. Hun advies om in het hier-en-nu te leven is in het algemeen verwarrend voor alle mensen die een leven uit één stuk willen leiden – ook uit één stuk tijdlijn – waarmee ze hun verleden willen achten en hun dromen voor de toekomst willen realiseren. Het advies om niet met het verleden bezig te zijn kan blokkerend werken voor iemand die genezing van trauma nodig heeft. Sterker nog: voor ernstig getraumatiseerde mensen die de neiging hebben tot zogenaamd “dissociëren” waarbij ze het gevoel van hun lichaam verliezen, kan het ongezond of zelfs gevaarlijk zijn als deze neiging versterkt wordt door het advies om niet bezig te zijn met wat hen gevoelsmatig bezig houdt en in plaats daarvan een staat van gewaarzijn te nemen die los is van hun lichaam en denkgeest. Dit stimuleert apathie en zou in ernstige gevallen wellicht zelfs psychose kunnen stimuleren. In dergelijke gevallen kan een behandelwijze die júist aandacht geeft aan het verleden en de bijbehorende gevoelens, zoals bijvoorbeeld hypnotherapie, flink helpen om ervoor te zorgen dat deze mens bevrijd wordt uit de beklemmende greep die ontstond door de traumatiserende gebeurtenis in het verleden. Soms moet je eerst met het verleden bezig zijn om in het hier-en-nu te kunnen leven.

Eckhart Tolle beweert dat je, wanneer je lijdt als gevolg van bijvoorbeeld ziekte of onaangename omstandigheden, je de gevoelens die er Nu zijn moet aanvaarden, dat wil zeggen: je er niet tegen verzetten. Volgens Tolle blijft dan van elk denkbaar lijden slechts momentane pijn of een praktisch probleem over.

Gedachte-experiment. Wanneer ik zoiets lees komt bij mij telkens het volgende gedachte-experiment op: zou deze aanpak voldoende zijn om een leven lang eenzame opsluiting met tevredenheid door te komen? Dat is een afschuwelijke gedachte, maar extreme gedachtenexperimenten werken juist goed om een idee te testen. De situatie die ik voorstel is trouwens niet compleet onrealistisch: ik weet dat in de menselijke geschiedenis is voorgekomen dat mensen gevangengenomen en de rest van hun leven opgesloten werden. Men heeft ze laten creperen in hun kerkers. Wat een wanhoop en eenzaamheid moeten die mensen gevoeld hebben. Zelfs als die mensen zich niet verzetten tegen hun lijden, als ze niet met angst en tegenzin naar de toekomst keken, als ze niet met woede naar het verleden keken, zelfs als ze telkens hun momentane pijn helemaal doorvoelden, dan hadden ze, veronderstel ik, tóch constant een groot verdriet en grote pijn als gevolg van de eenzaamheid. De gedachte hieraan activeert bij mij een onuitstaanbaar gevoel van wanhoop en verlorenheid. Tolle’s suggestie dat iemand in zo’n situatie door ‘bewust te worden’ en ‘in het Nu te zijn’ hun lijden kan veranderen in innerlijke vrede komt op mij over als een bagatellisering van zo’n situatie, ja, als een belediging.

Wantrouwen naar het leven.Dit gedachte-experiment laat iets zien van mijn psyche. Ik merk dat, iedere keer als ik nondualistische gedachtegoed lees, in mij het gevoel opkomt dat ik bereid moet zijn om de meest extreme situaties van lijden te accepteren; dat ik bereid moet zijn om b.w.v.s. met mijn ogen dicht in een onvoorspelbare chaos te stappen waarin ik ieder moment gemarteld zou kunnen worden. Blijkbaar interpreteer ik Tolle’s suggesties alsof van mij verwacht wordt dat ik zeg: “ja hoor, laat mij maar de rest van mijn leven verrotten in een kerker want dan doe ik gewoon een nondualistische alchemistische truc om mijn toestand te transformeren naar innerlijke vrede en extase.”

Er is blijkbaar een groot wantrouwen in mij: de verwachting dat, wanneer ik mijn alerte en krampachtige houding t.o.v. het leven stop en in plaats daarvan ‘in het Nu ga leven’, ik dan door het leven belazerd en te grazen genomen zal worden. Ik ben bang dat b.w.v.s. het leven tegen mij zal zeggen: “zo, Pieter, laat nu maar eens zien hoe goed je in het Nu kunt leven, hoe goed je je emoties kunt doorvoelen, hoe goed je met pijnlijke situaties om kunt gaan.” Deze wantrouwendheid, deze angst om door het leven verkracht te worden wanneer ik me ontspan, hindert mij bij mijn wens om me toe te vertrouwen aan het leven.

Saboterend effect. Wat er dus gebeurt wanneer ik Tolle’s advies lees, ook al zie ik er wijze elementen in, is dat er een grote blokkade van voorzichtigheid in mij geactiveerd wordt. Hetgeen jammer is, want daarmee heeft Tolle’s leer het tegenovergestelde effect van wat het beoogt: in plaats van dat ik er mee aan de slag kan, ontstaat er weerstand en afkeer. Bovendien jaagt Tolle mij tegen hem in het harnas wanneer hij suggereert dat (in mijn parafrase) mensen verslaafd zijn aan hun pijn, dat ze zich met een hardnekkige eigenwijsheid vastklampen aan hun levensverhaal, alsof dat iets dwaas is: “Observeer de gehechtheid aan je pijn. Wees heel alert: observeer het eigenaardige plezier dat je ontleent aan het ongelukkig zijn.” De term ‘eigenaardige plezier’ lijkt mij ronduit schofferend.

Tolle gaat verder met suggereren dat mensen, simpel gezegd, zó hardnekkig en dom zijn dat ze als vanzelf tot steeds erger lijden gedreven worden, waardoor ze uiteindelijk geen andere keuze hebben dan de geestelijke houding die hij adviseert te gaan uitproberen. Dit komt op mij over als “ik krijg uiteindelijk toch wel gelijk”. Daarnaast zie ik in zijn gedachtegang fatalisme en noodlottigheid. Die zogenaamd compassievolle maar eigenlijk harteloze afstandelijkheid waarmee vanuit een soort goddelijk perspectief naar de mensen gekeken wordt, zo van “jullie stumpers blijven jezelf al maar kwellen, totdat je eindelijk eens doorkrijgt dat je maar beter meteen naar mij had kunnen luisteren” ben ik al eerder in spirituele gedachtegoeden tegengekomen. Het stuit mij tegen de borst; het komt achteloos en laatdunkend over.

Tolle schrijft ergens anders: “verlichting door het lijden – de weg van het kruis – komt er op neer dat je gedwongen wordt het koninkrijk van de hemel schreeuwend en schoppend binnen te gaan.” Deze suggestie, waarbij zinsneden uit een bijbelverhaal worden gebruikt, is precies de boodschap en de toon die mij zo erg tegen de borst stuitten in de christelijke theologie: de suggestie dat ik een eigenwijs kind ben, dat ik intrinsiek het goede van het leven tegensta, dat mijn wil gebroken moet worden, dat God mij moet overmeesteren en dwingen.

Het stomme is dat Tolle niet beseft dat zijn aanpak juist erg hinderlijk is om je te kunnen toevertrouwen aan het leven. Want ik wíl me immers wel toevertrouwen, graag zelfs, maar dan aan iemand die me respecteert en vrij laat, iemand bij wie ik me veilig voel. Níet bij iemand die meent mij te moeten dwingen en verkrachten omdat ‘ie in z’n koninklijke hoogmoed gelooft dat ‘ie beter weet wat goed voor me is dan ikzelf. En ook niet bij iemand die met een geduldige glimlach op een afstandje blijft staan toekijken terwijl ik lijdt en voort ploeter.

Demonisering van het ego. In het algemeen heb ik kritiek op Tolle’s presentatie van het menselijke ego en het zogenaamde ‘pijnlichaam’. Deze worden beschreven alsof het een soort innerlijke broedplaats voor problemen is, alsof het een soort demon is waardoor een mens bezeten is, alsof het een wezen met een eigen wil is dat ons allerlei narigheid bezorgt en die ons manipuleert met allerlei gedachten zodat we hem in z’n rol laten. Alsof het een parasiet of virus is. Ik citeer:

“Het verstand is verzot op problemen omdat je er een soort identiteit aan kunt ontlenen.”

“Pas op: het onware, ongelukkige zelf dat gebaseerd is op de identificatie met je verstand, leeft van de tijd. Het weet dat het huidige moment zijn dood betekent en voelt zich er dus erg door bedreigd: het zal alles in het werk stellen om je er uit weg te halen. Het zal proberen je in de tijd gevangen te houden.”

“Sommige pijnlichamen zijn hardnekkig maar betrekkelijk onschuldig: je kunt ze vergelijken met een kind dat maar blijft jengelen. Anderen zijn gemene en vernietigende monsters, echte demonen”.

“Het pijnlichaam wil overleven net zoals elk ander bestaand wezen, en het kan alleen overleven als het je zover krijgt dat je je er onbewust mee identificeert.”

“Het pijnlichaam wil dat je het niet direct waarneemt en herkent.”

“Het pijnlichaam, de donkere schaduw die het ego werpt, is eigenlijk bang voor het licht van je bewustzijn.”

Ik kan Tolle’s poëtische beschrijvingen over de kracht waarmee pijn je aandacht kan vasthouden op zich wel volgen. Ik vind het rake beschrijvingen van over hoe overheersend pijn en lijden kunnen zijn en hoe je het gevoel kunt hebben dat je er gevangen door bent. En ik herken dat dit optreedt bij mensen die jarenlang met hun leven geworsteld hebben. Maar waarom schrijft Tolle erover alsof het onze vijand is? Ik vermoed dat niemand zich ooit gesterkt en getroost gevoeld heeft door de suggestie dat je een innerlijke ongrijpbare parasiet hebt die jou onder controle probeert te houden; dat lijkt mij eerder angstaanjagend en verlammend. En waarom suggereert Tolle dat we dit zogenaamde pijnlichaam moeten uitroeien of uithongeren? Waarom presenteert hij het als iets intrinsiek slechts, iets dat wij onder controle moeten krijgen? Het ‘onder controle krijgen’ vereist immers inspanning, hetgeen mij tegenstrijdig lijkt met de ontspannen geestelijke modus die beoogt wordt.

Het pijnlichaam als natuurlijk fenomeen. Ik heb door de afgelopen jaren een principe ontdekt waarin ik sterk ben gaan geloven, wat een ander licht werpt op pijnlijke zaken, namelijk: dingen die aandacht vragen, hebben aandacht nodig. Die dingen negeren of demoniseren werkt averechts en zal resulteren in méér moeilijkheden. Ze met aandacht, compassie en begrip benaderen werkt wél gunstig. Ik zou dus voorstellen om het zgn. pijnlichaam te benaderen als een functie van het leven, als een mechanisme dat in werking treedt bij verwaarlozing van een deel van jezelf, als iets dat alarm slaat omdat er ergens aandacht nodig is. Ik denk hierbij aan het concept van het “innerlijke kind”, hetgeen duidt op de innerlijke kwetsbaarheden en onzekerheden die mensen kunnen hebben, waardoor gevoelens opgewekt worden die pijnlijk en ogenschijnlijk onterecht zijn. De term ‘innerlijk kind’ klinkt lieflijk en lokt compassie uit, wat me gunstiger lijkt dan een deel van je innerlijk leven te duiden als demonisch of parasitair. Net zoals koorts, wat vroeger als iets ongezonds werd gezien en bestreden werd, maar tegenwoordig wordt begrepen als een manier van het lichaam om zich te weren tegen ziekte en zich te herstellen; of zoals diarree bij een voedselvergiftiging een effectieve automatische reactie van het lichaam is om zich te ontdoen van schadelijke elementen; zo lijkt mij dat de manifestatie van het zgn. pijnlichaam een fenomeen is dat evenzo optreedt voor onze eigen gezondheid. De vraag is: hoe kunnen we ons op zo’n manier verhouden tot het pijnlichaam dat we er effectief mee samenwerken? Ik heb daarop nog geen compleet antwoord. Wel weet ik dat erkenning heel belangrijk is. Ik geloof dat erkenning die aan jouw lijden gegeven wordt door jezelf en door anderen enorm goed kan doen, dat het helend en verzoenend werkt, dat het misschien zelfs noodzakelijk is voor complete verzoening. Dus geen bagatellisering van je ervaringen. Niet weglopen voor de intensiteit van je pijn. Geen wraak. Geen straf aan daders. Maar communicatie van elkaars gevoelens en elkaars perspectief tussen daders en slachtoffers.

De manier waarop genoemde auteurs zich opstellen tegen hun publiek wanneer praktische en reële problemen aan bod komen lijkt in mijn ogen opvallend compassie-loos. Hetgeen merkwaardig is bij een auteur die beweert ‘verlicht’ te zijn. Bij zo iemand verwacht ik juist méér menselijkheid, wijsheid, inzicht en capaciteit voor begrip bij een ander’s situatie, niet mínder. Ik denk nu vooral aan Frazier en Krishnamurti. Laatstgenoemde laat een welhaast ongelooflijk staaltje van botheid en non-empathie zien. Er wordt hem een vraag gesteld over een situatie waarin iemand lijdt aan de dood van diens vader. Krishnamurti antwoord botweg in de trant dat we ons niet zouden moeten verlaten op dierbaren, dat we onze behoefte aan zekerheid niet moeten proberen in te vullen door andere mensen. Nu ben ik het op zich eens met K’s stelling dat de rol die menselijke behoeftigheid en het streven naar levenszekerheid speelt in intermenselijke relaties helaas zorgt voor veel complexiteit, pijn, chaos, teleurstelling en dergelijke, maar zijn onvermogen om te erkennen dat het pijnlijk is om een dierbare te missen vind ik stuitend. Ik moet hierbij denken aan iets dat Frank Sensen schreef, over mensen die altijd een ‘helicopter view’ lijken te hebben, die iedere situatie lijken te kunnen analyseren, maar bij wie je geen medeleven voelt. Ze lijken altijd gedissocieerd. Ze spreken wel óver gevoelens maar niet mét gevoelens.

Hiernaast vind ik het opvallend dat elk van de genoemde auteurs, die beweren dat iedere mens ongeacht diens levensomstandigheden een zorgeloos of zelfs extatisch levensgevoel kan hebben, zelf in zulke gunstige omstandigheden verkeert dat ik vermoed dat ze eigenlijk niet uit ervaring weten hoe het is om met onvervulde levensbehoeften en het daarmee gepaard gaande gemis en verdriet te moeten leven. Jan Frazier schrijft over haar huis, eten, drinken, haar kinderen, haar levenspartner, seksuele omgang, uitstapjes in de natuur, haar hond. Ofwel: al haar meest belangrijke levensbehoeften zijn vervuld. Hetzelfde lijkt het geval (geweest) te zijn voor Krishnamurti, Watts, en Tolle. Zulke gunstige levenssituaties maken het verdacht makkelijk voor hen om te beweren dat de mogelijkheid van het ervaren van tevredenheid en extase altijd beschikbaar is…

Ik zie twee mogelijkheden om bij deze “leraren” hun stellingnames en hun gedrag als auteur te duiden:

1) ze hebben iets fantastisch ontdekt, een levensinstelling die hun leven drastisch ten goede veranderd heeft, wat ze graag willen uitdelen omdat ze geloven dat het een ander óók gelukkig kan maken. De door hun ontdekte levensinstelling is zó anders vergeleken met hoe de normale mens het leven beleeft, dat ze bij god niet weten hoe ze dit kunnen communiceren en ze hetgeen ze willen delen slechts mondjesmaat kunnen overbrengen. Mijn onbegrip is dus… mijn onbegrip. Ze hebben daadwerkelijk goud in handen maar ze kunnen het niet aan mij overbrengen.

2) ze hebben, door te experimenteren met het sturen van hun aandacht en het proberen te temmen van hun denkgeest, iets ervaren dat bij vlagen een geluksgevoel en mentale helderheid produceert, echter ze zijn hier verward over. Ze geloven ten onrechte dat dit een permanente staat van zijn kan zijn. Ze evangeliseren hiermee, maar hun voorstelling van zaken blijft vaag, abstract, ongrijpbaar, onrealistisch. Omdat er fundamenteel iets niet in klopt, of omdat hun beleving niet voor alle mensen gegeneraliseerd kan worden; of omdat ze zelf de levenservaring missen om te weten hoe extreem moeilijk sommige levensomstandigheden kunnen zijn. Ze verstoppen hun eigen verwarring en onkunde achter deze vaagheid en ongrijpbaarheid. Hun voorstelling van zaken is eenzijdig, hetgeen opgemerkt wordt door mensen die het in de breedte en diepte van het leven proberen te praktiseren.

De tweede optie lijkt mij het meest aannemelijk. Ik heb zó veel geprobeerd, zó veel gesproken met mensen, van zó veel verschillende perspectieven en vakgebieden kennisgenomen, zó veel bewustzijn ontwikkeld dat ik geloof dat ik in staat ben om te detecteren of iets op levensbeschouwelijk gebied goud of pyriet is. (Pyriet lijkt op goud. Het werd ‘gekkengoud’ genoemd.) Daarnaast: ik ken werkelijk níemand die leeft op de manier van deze nondualistische leraren. Als het zo goed zou werken en zo praktisch zou zijn als het geëvangeliseerd wordt, dan zou ik het moeten tegenkomen.

Om dit hele artikel enigszins te nuanceren wil ik nog noemen dat ik niet álles van het nondualistische gedachtegoed slecht vind. Ik zie er ook veel inzicht en wijsheid in. De suggestie om je aandacht op je lichaam te richten en om in het hier-en-nu te leven vind ik goed advies voor iemand die volledig in beslag is genomen door zorgen of iemand die verlamd is door angst. De suggestie om ‘wat er is’ onder ogen te zien en te doorvoelen vind ik goed advies voor mensen die onbewust lijden en ongezonde toestanden in stand houden doordat ze de moeilijkheden proberen te vermijden door waarschuwingssignalen te negeren, zichzelf telkens af te leiden, of zichzelf te verdoven. Het verslag van Jan Frazier vind ik erg fascinerend en leerzaam. De suggesties van Eckhart Tolle vind ik filosofisch interessant en krachtig; zijn observaties rondom de neiging van de menselijke psyche om zich te verzetten tegen het voelen van pijn vind ik scherpzinnig. Ik zie veel wijsheid in zijn suggesties voor het doorvoelen van situaties, al ergert zijn presentatie me soms. Ik waardeer ook de scherpzinnige analyses en poëtische beschrijvingen van natuur die gegeven worden door Alan Watts. De nondualistische leraren zijn m.i. echter doorgeslagen met, om het samen te vatten, hun illusie dat lijden een denkfout is.


Dankjewel voor het lezen! Herken je dingen van wat ik schrijf? Vind je het inspirerend? Heb je vragen en/of aanvullingen? Je kunt hieronder het commentaarformulier invullen. Je bent van harte welkom om deel te nemen aan de dialoog.

Vriendelijke groet, Pieter.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *